Hoe innovatief is Vlaanderen in vergelijking met andere landen?

Matthias Diependaele: “Vlaanderen sluit afwisselend wel of net niet aan bij het internationale koppeloton van ‘innovation leaders’. We doen het dus niet slecht, maar de ambitie van de Vlaamse overheid is nog groter. Hoewel we ons in budgettair moeilijke tijden bevinden, is het toch belangrijk dat de geplande investeringen in innovatie ook doorgaan. Dat hangt echter niet enkel van de overheid af. Het gaat over de inspanningen van onze hele economie.”

Johan Maes: “Er wordt inderdaad te vaak enkel gekeken naar het overheidsbudget. De privésector heeft ook een belangrijke taak in het innovatiegebeuren en in het creëren van een concurrentiële markt. Wél verwacht de industrie dat de overheid een ondersteunende rol kan spelen in het opvullen van de niches die we niet marktconform kunnen invullen.”

“Het clusterbeleid van de Vlaamse overheid, waarbij de steun in bepaalde niches wordt geconcentreerd, is alvast een stap in de goede richting. Wij ondersteunen daarom de Blue Cluster die in de Noordzee een actieprogramma wil uitwerken, gericht naar zowel kustveiligheid, gezonde zeevoeding als duurzame energieproductie en -opslag.”

Koenraad Debackere: “In Vlaanderen werd in 2014 door alle actoren samen 5,7 miljard euro gespendeerd aan onderzoek en ontwikkeling. Zo’n 3,9 miljard daarvan werd gespendeerd door de privésector en zo’n 1,8 miljard door het hoger onderwijs en de onderzoeksinstellingen. Deze 5,7 miljard euro is goed voor 2,46 % van het BBP van Vlaanderen, wat in vergelijking met andere Europese landen alvast niet slecht is.”

“Op wereldschaal, en in absolute termen, kan dit echter wat worden gerelativeerd, wetende dat sommige multinationals in hun eentje zoveel investeren in R&D. Toch kunnen we in Vlaanderen spreken van een gezonde inzet van middelen en bijhorende mix tussen private en publieke investeringen in onderzoek en ontwikkeling.”

Dirk Fransaer: “We bevinden ons volgens de meest recente Europese studie net niet in het koppeloton. Het moet echter gezegd worden dat de beoordeling hiervan gebeurt met eerder generische kenmerken. Hoeveel procent van het BBP investeert men in innovatie? Hoeveel doctoraten zijn er per duizend inwoners? Hoeveel patentaanvragen zijn er?”

“Wanneer we bijvoorbeeld kijken naar de KMO’s, dan scoort Vlaanderen zeer goed. Wat hier echter niet mee beantwoord wordt, is wat nu uiteindelijk de impact is van deze kenmerken. Performantieindicatoren zeggen in feite weinig over de uiteindelijke resultaten van al die inspanningen op de echte economie, de tewerkstelling, de export, enz. Toch is dat net hetgene dat de politici en de burgers interesseert.”

Bernard De Potter: “We moeten ook naar het ecosysteem op zich kijken. Onze universiteiten scoren ieder jaar bijzonder goed in de internationale rankings. Qua opleidingen zitten we goed, en dat is vooral belangrijk op lange termijn. Maar ook voor wat betreft onderzoek en maatschappelijke dienstverlening doen we het niet slecht, mede door onze strategische onderzoekscentra. Hiernaast zorgt het clusterbeleid voor een transfer van al deze kennis naar onze bedrijven.”

“Ook het institutioneel kader helpt mee dankzij de goede afbakening van het intellectuele eigendom en via een duidelijke omkadering van de samenwerkingen tussen het onderwijs, bedrijven en onderzoeksinstellingen. We moeten er uiteraard wel voor zorgen dat alles als een goed netwerk opereert en dat alle actoren elkaar als ‘tandwielen’ versterken. De rol van de overheid is alvast om smeerolie te voorzien voor die tandwielen, zodat ze goed op elkaar passen en een hefboomeffect kunnen creëren.”

Dirk Torfs: “We moeten ons bewust zijn dat zulke rankings een momentopname weergeven van een beleid uit het verleden. Dit zegt echter niets over waar we naartoe gaan. De snelheid van innovatie is bovendien belangrijker dan de innovatie op zich. We moeten dus opletten dat we maximaal blijven vooruitgaan om onze goede positie te behouden.”

“Samenwerking is hierbij cruciaal, want het vergroot de impact van wat we vandaag doen. Op dat vlak kunnen we nog vooruitgang boeken, want mits de toenemende complexiteit van de wereldeconomie zal het niet langer volstaan om puur te innoveren binnen één afgebakend domein. We moeten nog meer inzetten op netwerken en ecosystemen."

Jan Manssens: “Vlaanderen presteert goed en heeft een ondernemingsgezind klimaat. Bovendien beschikt het over enkele sterke onderzoeksinstellingen die zich zowel op fundamenteel als op toegepast onderzoek focussen, en die samen met het bedrijfsleven sprongen vooruit willen maken. De Digital Economy and Society Index (DESI) van de Europese Commissie toont trouwens dat we het ook als land goed doen op het vlak van ICT.”

“We mogen echter niet op onze lauweren rusten. We zullen het op bepaalde vlakken beter moeten doen. En daarvoor zijn een stabiel regelgevend kader en een gunstige bedrijfsomgeving noodzakelijk. Een stabiel regelgevend kader creëert duidelijkheid en is zo gunstig voor langetermijninvesteringen, terwijl een aanvaardbare taxatie ervoor zorgt dat er voldoende investeringsruimte overblijft voor de bedrijven en zo dus innovatie stimuleert.”

An Vanhees: “Vlaanderen heeft reeds grote stappen gezet in het vereenvoudigen van de subsidiestructuur. Hier kunnen we nog verder in gaan. Dit aspect, samen met het innoveren van overheidsaanbestedingen, maakt dat zeker KMO’s nog sterker kunnen groeien.”

Hoe belangrijk is samenwerking voor het bevorderen van innovatie?

Koenraad Debackere: “Ecosystemen zijn erg belangrijk, maar we moeten dan inderdaad ook zorgen dat de tandwielen goed geolied zijn. Dit wil concreet zeggen dat alle actoren in zo’n ecosysteem moeten leren om op elkaar in te spelen en in te grijpen. Een goed voorbeeld is het nieuwe EnergyVille in Genk. KU Leuven, VITO, Imec en UHasselt vormen er een coalitie die zelden is gezien in Vlaanderen.”

Dirk Fransaer: “Die tandwielen zijn trouwens niet statisch. Het voortdurend veranderende landschap maakt dat sommige ervan moeten krimpen en andere moeten groeien. Onderzoek wordt bovendien ook duurder. De samenwerking rond EnergyVille is tot stand kunnen komen omdat men meteen ook wereldambities heeft. Ieder van de betrokken partners heeft zijn kwaliteiten, maar enkel door de krachten te bundelen kunnen we ons met dit project op de wereldkaart plaatsen. Die tandwielen zullen steeds opnieuw moeten worden afgesteld om in te spelen op de toekomstige noden.”

Matthias Diependaele: “We beschikken in Vlaanderen alvast over een uitgebreid netwerk waar iedereen inziet dat samenwerken een meerwaarde oplevert. Op Vlaams niveau hebben we - in vergelijking met heel wat multinationals - dan wel een beperkt budget, maar dankzij samenwerking en het creëren van synergieën kunnen we vanuit Vlaanderen op Europees en wereldniveau goed meespelen.”

Koenraad Debackere: “We moeten onze krachten bundelen, maar tegelijk dienen we te beseffen dat Vlaanderen een kleine, open en heterogene economie is. Met die heterogeniteit en diversiteit moeten we rekening houden. We mogen onze beperkte middelen dus niet inzetten op een monocultuur.”

Matthias Diependaele: “De overheid wil enerzijds versnippering tegengaan, simpelweg omdat dat inefficiënt is. Anderzijds moeten we het potentieel van de diversiteit behouden. Dit is een voortdurende evenwichtsoefening.”

Jan Manssens: “We moeten de ecosystemen die we creëren vooral ook op zichzelf flexibel en sterk houden.”

Dirk Fransaer: “We moeten ze aftoetsen op hun weerbaarheid naar de markt toe. Een ecosysteem dat op zichzelf draait, kan ook, maar het is slechts wanneer de betrokken bedrijven er sterker door worden in de markt, dat de conclusie mag worden getrokken dat het ecosysteem goed functioneert.”

Hoe kan het onderwijs ervoor zorgen dat we ook in de toekomst een innovatieve regio blijven?

An Vanhees: “Momenteel leren zo’n 7% van de Vlamingen nog verder na hun studies. Daarmee zitten we onder het Europese gemiddelde. Er zijn nog heel wat opportuniteiten, maar momenteel blijven we levenslang leren vrij klassiek benaderen. We blijven inzetten op technische skills en op schoolse leeromgevingen, terwijl we het er net over eens zijn dat diversiteit en snelheid van veranderen zo belangrijk zijn. In ons opleidingsaanbod nemen we deze zaken echter niet genoeg mee.”

Dirk Fransaer: “De vijver van de klassieke STEM-opleidingen is te klein. We moeten nog meer vrouwen en allochtonen aantrekken, maar de vraag is hoe we dat kunnen doen. Een ander feit is dat we steeds een brede ingenieursopleiding hebben aangeboden, in vergelijking met sommige andere landen. Dit maakt dat flexibiliteit inherent is aan de opleiding. Door studenten daarentegen te vroeg in een bepaalde richting te duwen, is er het risico dat die zich in de toekomst zullen moeten herscholen omdat er door de veranderende omgeving geen vraag meer naar zal zijn.”

An Vanhees: “Dit valt voor een stuk onder het motto ‘Hire for attitude, train for skills’. Enerzijds hebben bedrijven deels de paternalistische verantwoordelijkheid om hun mensen bijkomend op te leiden en te trainen. Anderzijds moet ook het individu zelf werken aan zijn ‘employability’ en daarin investeren.”

Matthias Diependaele: “We waren het er net over eens dat onze huidige goede positie het resultaat is van het beleid uit het verleden. Een van onze sterke punten is dat we experten hebben opgeleid in specifieke vakgebieden, die vervolgens elkaar kunnen versterken via samenwerkingen. Door ieder individu daarentegen een bredere startopleiding te geven, zal de expertise ook automatisch verminderen. Daarin zal levenslang leren dan een belangrijkere rol gaan spelen.”

Dirk Fransaer: “De expertise situeert zich vandaag eerder in de raakvlakken waar nieuwe innovaties en modellen kunnen ontstaan. Het ene is dus niet in tegenspraak met het andere. Maar helaas is iemand die té gespecialiseerd is en niet mee is geëvolueerd soms niet in staat om in de nieuwe ecosystemen te functioneren en een meerwaarde te zijn.”

Koenraad Debackere: “We mogen niet vergeten dat de algemeenheid ook haar specificiteit heeft. We moeten zorgen dat in bepaalde richtingen de wetenschappelijke basis voldoende sterk blijft. Zo heeft men in de medische-, biomedische- en farmawereld terecht de mond vol van translationeel onderzoek. Wat in het labo en aan het bed van de patiënt gebeurt, moet beter op elkaar worden afgestemd. Wanneer de artsen echter geen voldoende brede wetenschappelijke basis meer hebben, wordt het moeilijk om die translatie te doen. Hetzelfde geldt voor big data: dat kan niet zonder een solide wiskundige basis.”

Bernard De Potter: “Naast die wetenschappelijke basis is er nog te weinig entrepreneurial capacity. In het onderwijs behoort ondernemen nog vaak bij de additionele activiteiten, maar we zien wel een kentering. Zo is er op verschillende hogescholen en universiteiten een ware start-up cultuur aan het ontstaan. Dit moet nu bestendigd worden en het ambitieniveau moet omhoog. Het doel moet zijn om meerdere van deze nieuwe spelers op termijn internationaal te laten doorgroeien.”

Jan Manssens: “De overheid kan hier alvast de humus voor voorzien. In Nederland zien we alvast dat de attitude en de investeringen van de overheid zorgen voor een goed klimaat waarin start-ups kunnen doorgroeien.”

Johan Maes: “Daarvoor is het cruciaal dat de driehoek van bedrijven, onderwijs en overheid goed op elkaar is afgestemd. Bedrijven die vandaag internationaal actief zijn, zijn geen monolieten. Het zijn multidisciplinaire bedrijven geworden die zich niet op één activiteit focussen. Zij zoeken dan ook polyvalente medewerkers, en niet mensen die hypergespecialiseerd zijn in één niche. Bovendien willen ze mobiele krachten die ook in het buitenland kunnen worden ingezet. Daarnaast moeten ze in netwerken en teams kunnen samenwerken.”

An Vanhees: “Men spreekt tegenwoordig soms zelfs van een vijfhoek, waarbij ook cultuur en omgeving een belangrijke rol spelen. Op deze twee moeten we dus extra inzetten. Zo moeten we bijvoorbeeld de mentale flexibiliteit nog verbeteren: ‘failure is not the opposite of succes, it is part of succes’.”

Koenraad Debackere: “Het is niet enkel belangrijk om radicaal te vernieuwen, zoals Vlaanderen heeft gedaan met zijn biotech sector. Je moet ook continu transformeren en verbeteren. Onze textielsector hoort hierdoor vandaag nog steeds bij de wereldtop. Maar in feite is dit belangrijk voor alle sectoren.”

Dirk Torfs: “Er moet een samenwerkingscultuur worden gecreëerd, zowel binnen het onderwijs, het bedrijfsleven als de overheid. In plaats van individuele mensen op te leiden moeten we meer naar een groepsdynamiek. Er ontstaan immers steeds meer cross-sectorale samenwerkingen tussen bedrijven, universiteiten en kennisinstellingen.”

“Eenmaal men buiten zijn eigen sector treedt, wordt het veel gemakkelijker om samen te werken, te leren van elkaar en te innoveren. Nieuwe kennis zorgt voor nieuwe productontwikkeling, en zo kunnen we dan ook de productie activiteiten in Vlaanderen houden. Eenmaal dit ecosysteem en deze waardeketen worden doorbroken, wordt het bijzonder moeilijk om deze tewerkstelling te behouden.”

Dirk Fransaer: “Er moet tot slot meer bereidheid zijn om risico’s te nemen en te falen. Ook de overheid moet die vrijheid krijgen, zonder dat ze meteen voor alles op de korrel moet worden genomen. Door enkel te investeren in die innovaties die gegarandeerd tot succes zullen leiden, zullen we ongelofelijk veel opportuniteiten missen.”